stephanie-van-gulijk-kleur-lo-res.jpg
STEPHANIE VAN GULIJK

Sinds Stéphanie Van Gulijk in 2008 doctoreerde op een onderzoek waarin ze de wettelijke kaders voor ontwerpovereenkomsten tussen architecten en opdrachtgevers van verschillende Europese landen (o.a. België) onderwierp aan een vergelijkende studie, werkt ze als hoogleraar privaatrecht aan de Law School van de universiteit van Tilburg. Bouwrecht is haar voornaamste expertisedomein. In haar huidige onderzoek buigt Van Gulijk zich over de kwesties van de verdienstelijking van de gebouwde omgeving, het circulair bouwen, en de constructieve veiligheid en communicatie in bouwprocessen.

BOUW EN ZORG

Het bouwrecht is een heel interessant speelveld voor juristen. Alle algemene theorie die je leert komt in het bouwrecht erg mooi samen: aansprakelijkheidskwesties, verzekeringskwesties, contractuele issues. Het bouwproces is uniek omdat het vaak heel complex en technisch is, door de grote rol die de tijdsdruk en de kosten spelen en doordat vele partijen betrokken zijn. Ik trek wel eens de parallel met de zorg. Daar werken ook veel mensen aan complexe dingen en onder tijdsdruk met elkaar samen. Bovendien zijn artsen net als architecten vrije beroepers en kennen beide beroepen een bijzonder maatschappelijk belang. In bouwprojecten denk ik dan aan duurzaamheid, veiligheid of de openbare ruimte. Ook de verzekeringskwesties, waarbij je vaak een zwakkere tegenpartij hebt - de patiënt of de particuliere bouwheer – zorgen voor parallellen in de vragen die spelen in beide velden.

 

Een belangrijk vraagstuk voor architecten is hoeveel verantwoordelijkheid ze kunnen dragen en hoe groot de aansprakelijkheid kan zijn. U beschrijft het zelf in uw boek als één van twee grote spanningen waar architecten mee te kampen hebben: “designing buildings is a low yield - high risk endeavor”. Ik begrijp dat architecten in België, in vergelijking met andere landen, een erg ruime aansprakelijkheid dragen?

Dat klopt en de situatie is heel anders dan in Nederland. In België is het beroep van architect wettelijk beschermd met een monopolie en is er de verplichte verzekering. Dat hebben we allebei in Nederland niet. Nederlandse architecten hebben wel een beschermde titel, maar geen beschermd beroep. Wie een bouwproject wil starten is dus niet verplicht een architect in te schakelen bij het ontwerp en de bouwactiviteiten. Ook de verzekering is niet wettelijk verplicht. Architecten die zich bij BNA (de Nederlandse tegenhanger van NAV – DH) aansluiten zijn wel verplicht verzekerd, en ongeveer 2/3e van de architecten is ook aangesloten, maar dat hoeven ze niet te doen. In Nederland plegen architecten hun aansprakelijkheden ook behoorlijk contractueel te beperken, wat in België niet toegestaan is. Bovendien rust bij jullie, net als in Frankrijk een veel langere aansprakelijkheid op architecten. Dat zijn ook de redenen waarom die verzekering zo belangrijk is. Wat destijds uit mijn proefschrift bleek was het probleem van the deepest pockets. Omdat architecten in België zo verschrikkelijk goed verzekerd zijn, zijn zij elke keer het haasje en wordt de schade in bouwprojecten steeds makkelijk op hen afgewenteld. Dat groeide bij jullie scheef, maar wordt door de nieuwe wet van 2018, die ook andere partijen in het bouwproces verplicht tot het nemen van een verzekering, weer rechtgetrokken. In het kader van de grote uitdagingen van de verstedelijking, vergrijzing en verduurzaming die nu al op de bouwsector afkomen, heeft de architect een hele belangrijke rol te spelen en ik denk dat die rol alleen maar gaat toenemen. Wat dat betreft is het heel goed dat het in België een beschermd beroep is. In het Nederlandse bouwproces is de rol van de architect onderbelicht, vooral in die beweging naar verduurzaming en circulair bouwen. Er komt bij ons een nieuwe wet aan, de Wet op de Kwaliteitsborging voor het Bouwen (1 januari 2022), waarmee we de kwaliteit van bouwwerken willen verstevigen. Ondanks dat ik meerdere malen bepleit heb om de architect als onafhankelijke kwaliteitswaarborger in te schrijven, wordt in die wet met geen woord gerept over de architect. Het lijkt me nochtans veel beter om de architect de kwaliteit van de uitvoer laten waarborgen, dan dat we dat volledig aan de vrije markt overlaten en daar weer allerlei nieuwe rollen en actoren voor gaan verzinnen. Dat is zonde van de kwaliteiten en expertise van de architecten.

KWALITEITSWAARBORG

Eén van de vragen die de architecten in Vlaanderen zich stellen is of het keurslijf van het huidige monopolie niet te strak zit en of bepaalde elementen aangepast of losgelaten kunnen worden. Er is enerzijds het monopolie op het ontwerp en anderzijds dat op de uitvoeringsfase. Wat zou u adviseren?

Ik benader het vanuit de Nederlandse situatie en daar pleit ik er dus juist voor dat de architect veel meer de spil moet zijn of worden in het bouwproces. Ik vind het moeilijk om advies te geven, maar wat ik dus belangrijk vind om te stellen is dat architecten heel goed geplaatst zijn om die kwaliteit te bewaken en dus het toezicht kunnen houden hoe ontwerpen in de praktijk worden uitgevoerd. Architecten zouden zelfs ook als kwaliteitsborger kunnen optreden van een bouwproject waarvan ze zelf niet het ontwerp gemaakt hebben. Volgens mij is er een gat in de markt voor architecten die daar in springen. Nu kan ik mij wel voorstellen dat het huidige monopolie in België een vrij strak keurslijf vormt. Misschien zou je wat je ermee doet afhankelijk kunnen maken van de gunningscriteria en de complexiteit van het bouwproces, en zo wat meer variëteit creëren, waardoor diverse architecten en grote en kleine bureaus hun positie meer gericht kunnen bepalen?

 

Een tweede grote spanning waarnaar u verwijst, is dat het ontwerp van gebouwen niet meer het exclusieve domein is van de architect. Aannemers gaan ook ontwerpen, er zijn diverse nieuwe samenwerkingsmodellen die terrein innemen van de architect... Hebben de architecten te vrezen voor hun marktpositie mocht het monopolie op het ontwerp gelost worden?

Dat is dus de situatie die wij in Nederland hebben, dat aannemers ontwerpende partners worden. Er zijn de laatste jaren ook heel veel nieuwe rollen in het bouwproces bijgekomen. Denk bijvoorbeeld aan het monitoren van allerlei technische ontwikkelingen. Waar vroeger architecten schetsen en de tekeningen maakten, gaat dat vandaag met bouwprocesmodellen, bijvoorbeeld BIM, waarbij je ook weer iemand nodig hebt die die software beheerst. Zo komen er nieuwe digitale bouwactoren bij die mogelijk ook weer een stukje terrein van de architecten innemen. Maar ik denk niet dat daar een probleem zit. Architecten kunnen zich ook op andere dingen richten o.a. duurzaamheid in de bouw, nieuwe technieken, innovatie. Volgens mij is er voor de architect genoeg te doen de komende jaren!

CIRCULAIR BOUWEN

Europa zet in het kader van de Green Deal in op de transitie van lineaire naar circulaire economie en heeft de bouwsector aangewezen als een high impact sector. Nederland heeft al grote ambities getoond op dit vlak. Wat zijn volgens u de grootste uitdagingen?

Ik was laatst bij een seminarie van de provincie Noord Brabant en daar bleek circulair bouwen ontzettend te leven bij bouwbedrijven, maar allemaal zeiden ze: “We hebben allerlei circulaire grondstoffen en we kunnen het bouwen, maar het is veel te duur.” Ik heb de indruk dat men vanuit het bouwbedrijf al ongelofelijk veel kan, maar dat men vaak de opdrachtgever vergeet, die aan het begin staat van het hele proces. Als die geen duurzaamheid en circulaire ambities uitdraagt en dat niet in de vraagspecificatie zet, dan zullen architecten en aannemers het ook niet bouwen. Dus opdrachtgevers – en met name overheidsinstanties – zullen een hoop moeten investeren om dat voor elkaar te krijgen. Een belangrijke sleutel ligt op dit moment dus bij de rijksoverheid. Ook het wettelijke kader moet aangepast worden. Overeenkomsten van opdracht en aanneming zijn overeenkomsten van een bepaalde tijd, die eindigen als het ontwerp af is of als het werk wordt opgeleverd. Terwijl circulair bouwen behelst dat je naar de levenscyclus van een gebouw kijkt, dus ook naar de hele periode na de oplevering en dat je dus ook al onderhoud en sloop of demontage mee gaat contracteren. De huidige kaders lenen zich daar niet gemakkelijk toe en zouden moeten flexibiliseren. We hebben in Amsterdam een vijftal jaar geleden een tijdelijke rechtbank gebouwd die als legoblokken ook weer gedemonteerd kan worden. Nu is het een rechtbank, later zou het op een andere plaats – gedemonteerd en herbouwd – als schoolgebouw dienst kunnen doen. Dat is circulair: dat je de recycling en de sloop al meeneemt in het contract. Dat vergt durf, creativiteit en geld. Maar ook juridische kaders die zich daarvoor lenen.

 

In de context van circulair bouwen gaat ook het principe van eigenaarschap aan het schuiven.

Je ziet dat eigendom minder belangrijk wordt, maar het gebruik van gebouwen aan belang wint. In plaats van een huis te kopen, zou de lease en de huur misschien weer heel interessant kunnen worden. Waar je ziet dat je fietsen kunt leasen en een abonnement kan nemen op was- en koffiemachines, kun je tegenwoordig ook een gevel leasen van een huis. Het gebeurt niet op grote schaal, maar het kan wel al. Dat is een heel andere manier van kijken naar het gebouw, omdat je dan de verhuurder of de producent van zo’n gevel verantwoordelijk maakt voor de duurzaamheid ervan en ook voor het weer slopen en hergebruiken. Dat geeft een nieuwe kijk op het bouwproces, maar ook op de vraag: “welk type contracten zijn nou eigenlijk interessant om te sluiten?” Dat is waar ik mij mee bezig houdt. Voor zo’n gevelbouwer gelden heel andere rechten en plichten natuurlijk, als hij die gevel er weer af kan nemen na tien jaar, recyclen en elders gebruiken.

 

Welke repercussies heeft dit alles voor de rol van de architect?

De architect moet natuurlijk bij zijn ontwerpen veel meer die duurzaamheid in het oog houden. En het bouwproces is niet meer een gebouw neerzetten, het gebruiken, het slopen en dan weer iets nieuws neerzetten. Een gebouw is iets wat recycleerbaar is en ook wat voor meerdere functies en doeleinden gebruikt kan worden. Ik denk dat het van architecten veel vergt: meer creativiteit, meer flexibiliteit, innovatie... Maar volgens mij is dat ook fantastisch om te doen! Ook om maatschappelijke uitdagingen zoals bijvoorbeeld de vergrijzing aan te pakken. Je kan gebouwen ontwikkelen die al naargelang de gezinssituatie of fase waar je inzit, kunnen meegroeien of krimpen met het gezin. Je kan ze delen met anderen in een woongemeenschap of multifunctionele gebouwen ontwerpen. Heel prikkelend in dit verband vond ik het Barbapapamodel dat Nederlands architect Winy Maas heeft bedacht. Barbapapa is dat poppetje dat je kan indeuken en dat dan weer terugkomt in een andere vorm. Winy Maas gebruikt nanotechnologie om in een huis of gebouw flexibele wanden en kamers te creëren, waardoor je ruimtes groter en kleiner kan maken. En ook hier komt het vraagstuk van kwaliteit weer om de hoek. Dat circulaire bouwen gaat gepaard met veel innovatie in ontwerp en uitvoering, en in dat proces moet je de constructieve veiligheid natuurlijk kunnen garanderen.

GEBOUW ALS LEVENSCYCLUS

Als we denken in termen van maatschappelijke transitie, gaat het om het uitdenken van nieuwe, meer duurzame gebruiken en praktijken, maar ook om bewust afscheid nemen van niet duurzame manieren van werken. Waar moeten architecten volgens u afscheid van nemen in deze transities?

Vooral wat ik net benoemde: dat een gebouw maar voor een beperkte functie en een beperkte tijd levensvatbaar is. ‘Het gebouw’ moet worden gezien als levenscyclus, waar we op verschillende manieren en in verschillende functies gebruik van kunnen gaan maken. Dus moeten daar ook materialen in zitten die heel lang levensbestendig zijn. En eigenlijk moet die sloop gewoon weg. Dat is zo funest voor de benutting van fossiele grondstoffen! Twintig à dertig jaar geleden werd zo niet gedacht en was sloop een heel wezenlijk onderdeel van het bouwproces, maar nu komt dat onder druk. Van alle afval op de wereld is geloof ik 40% verbonden aan de bouwsector. Dat is enorm en heeft voor een heel groot deel met die sloopfase te maken. Ik heb ook een keer een interview gezien waarin een architect stelde dat gemiddeld genomen, over de hele wereld de huizen voor een derde van de 24u in een dag leeg staan. En het andere deel, de kantoren, staan vervolgens ook weer leeg. Het is eigenlijk ongelofelijk hoe we de wereld volbouwen, terwijl we veel efficiënter met gebouwen en ruimte zouden moeten omgaan. Dat was nooit nodig. Maar nu wel.

MEER INSPIRATIE?

Bezoek het architectencongres van NAV op 8 juni in Mechelen.