portretjoachimdeclerckfotograafbobvanmol.jpg
JOACHIM DECLERCK

Op de vooravond van ons gesprek, trad Joachim Declerck op als gastheer van het openingsdebat van De Grote Verbouwing 2020-2030. Met De Grote Verbouwing zet Architecture Workroom Brussels (AWB) een leeromgeving op waar ondernemende burgers, overheden, bedrijven, financiers, wetenschappers en organisaties samen de mouwen opstropen “om van elke straat, wijk, werkomgeving en landschap een vitale toekomstplek te maken.” We vroegen Joachim Declerck, die AWB samen met kompaan Roeland Dudal een tiental jaar geleden oprichtte, welke rol zij voor de architect weggelegd zien in de grote omwentelingen die ons te wachten staan.

EEN DIJK BOUWEN IS MAKKELIJK

In de missie van AWB lees ik twee centrale elementen: ruimtegebonden vraagstukken zijn ook altijd maatschappelijke vraagstukken. En om onze habitat meer duurzaam vorm te geven, moeten we nieuwe processen ontwikkelen. Kan je die principes illustreren aan de hand van één of twee concrete projecten?

Een van de trajecten waar wij al lang aan werken heeft te maken met een zorgzame leefomgeving. In de zorg- en sociale sector is de pendel erg doorgeslagen naar een institutionele benadering, met een dienstenaanbod per doelgroep, denk aan jeugd of gehandicapten. Vandaag zijn zorgexperten en beleidsmakers bezig met de vraag hoe ze daar community driven care tegenover kunnen zetten. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we lokaler kunnen werken en een keteneffect op gang brengen? Als je vanuit die vraag vertrekt, moet je heel anders gaan nadenken over wijkontwikkeling. In het kader van de internationale architectuurbiënnale van Rotterdam hebben we daarrond in Utrecht een traject uitgezet. In een lokaal testlaboratorium hebben we samen met een groep denkers en werkers geanalyseerd hoe de zorgvraag zich ter plekke stelt. Utrecht profileert zich als ‘de gezonde stad’ met een grote health campus gekoppeld aan het ziekenhuis, met een belangrijke economische waarde. Op een bepaald moment hebben we het perspectief gekanteld. We stelden vast dat de verschillen in gezonde leeftijd tussen verschillende wijken in die ene stad wel 13 jaar bedroeg. Dat cijfer was voor velen een schok. Natuurlijk spelen veel factoren een rol spelen: sociale en economische aspecten, de concentratie van bevolkingsgroepen. Maar ook van groot belang zijn de voorzieningenniveaus en infrastructuur in de stad. Dan merk je hoe belangrijk de linken zijn tussen de sociale netwerken, eerstelijnszorg, preventie en een gezonde leefomgeving. En dan besef je ook dat onze huidige stadsontwikkelings- en vastgoedredeneringen te weinig rekening houden met het feit dat die sociale netwerken ruimte nodig hebben. Dus hebben we gepleit om niet meer te denken vanuit die centrale health campus, maar net breed en lokaal te interveniëren en te zorgen voor 45m2 overdekte ruimte per buurt, met plaats voor de bingoclub en de huiswerkbegeleiding en ook voor de eerstelijnszorg. Ruimte wordt door velen als iets neutraal beschouwd, maar dat is het absoluut niet. Je zou kunnen zeggen dat ruimte een enabler is van sociale netwerken en van een gezond leven... of ze vormt net een blokkade. Wat ik nu heb omschreven is eigenlijk een vorm van verkenning: we proberen te zien welke relaties er zijn tussen een bepaalde maatschappelijke verandering en ruimtelijke transformatie. De tweede vraag is: hoe vertaal je dat naar concrete veranderingen op het terrein? Dat is een ander paar mouwen. Een mooi voorbeeld is het programma Water-Land-Schap dat we mee ontwikkeld hebben voor de Vlaamse Land Maatschappij . Na heel wat onderzoek, het maken van atlassen van waar en hoe de water- en droogteproblematiek zich stelt, en na veel participatieve sessies met allerlei experts, zijn we tot een nieuwe methodiek of uitvoeringsprogramma gekomen. Daarbij vertrokken we van de vaststelling dat we van bovenuit noch de terreinkennis, noch de mankracht of het geld hebben om de waterproblematiek in Vlaanderen aan te pakken. Ingrijpen op heel veel kleine plekken: hoe doe je dat in godsnaam? Een dijk bouwen is best makkelijk: je onteigent de mensen die er wonen, een ingenieur maakt berekeningen en je bouwt een dijk. Technisch gezien is dat natuurlijk niet makkelijk, maar wat nog veel moeilijker is, is iets gedaan krijgen met heel veel verschillende mensen op heel veel verschillende plaatsen. Maar zonder zal het simpelweg niet lukken. Dat is aan de hand bij de droogte, maar ook bij de energietransitie en bij de voedseltransitie. “The next big thing will be a lot of small things”, schreef kunstenaar Thomas Lommée in 2015 op de gevel van de universiteit van Gent. En dus is het programma Water-Land-schap een poging om een systematiek te ontwerpen waarin we actoren die elkaar lokaal nodig hebben - landbouwers, beekbeheerders, natuurbewegingen, lokale overheden - mobiliseren en een kader bieden om een oplossing te produceren. Onze grootste uitdaging vandaag is dus: hoe maken we ruimte om die levensbelangrijke kwesties op een meer samenhangende, interdependente manier aan te pakken, terwijl dat haaks staat op onze technocratische en dirigistische logica’s.

VIA DE ZIJ-INGANG

De manier waarop jullie aan maatschappelijke transitie werken is erg bottom-up. Dat staat ogenschijnlijk in contrast met iets waar Serge de Gheldere en Stephanie van Gulijk beiden naar verwezen: het belang van een actief sturende en investerende overheid. Hoe kijk jij naar die tegenstelling?

Het zit niet in de natuur van mensen om voor verandering te kiezen. We hebben allemaal nood aan een herkenbare omgeving en reduceren complexiteit tot iets wat we kunnen verteren. Maar ik vind het te gemakkelijk om te zeggen dat de overheden dan maar heel forse beslissingen moeten nemen. Veronderstellen dat alles dan vanzelf zal gaan is ook niet realistisch. Politiek is electoraal. De overheid benut de speelruimte die de burgers geven. Als burgers weinig speelruimte geven zal de overheid ook weinig beslissen. Ik geloof eerder in elkaar ontmoetende logica’s. Wat wel essentieel is, is dat de burger de veranderingen kan verbeelden als een antwoord op zijn eigen problemen en als een verbetering van zijn levenskwaliteit. Daar kan ik nog een mooi voorbeeld van geven. Toen we in Rotterdam werkten rond de energietransitie, hebben we aan antropologen gevraagd om de armste wijken van de stad in te trekken om te horen wat de prioriteiten van de bewoners waren. Het ging over schimmel, tocht en nog veel andere problemen. Voor mij was de eye opener dat de energietransitie uiteindelijk een oplossing bleek voor al die problemen. Eerder dan te stellen: “we gaan hier de energietransitie realiseren”, konden we zeggen: “we maken dat het klimaat in uw woningen verbetert, dat uw energiekosten dalen, de waarde van uw woning stijgt en dus uw pensioen verbetert.” En zo krijg je een heel ander verhaal. De energietransitie is dan het middel en niet het doel. Antropologe Ruth Soenen zei ons: “jullie gebruiken altijd de voordeur en je moet de zij-ingang gebruiken.” Die capaciteit tot vertalen van de macro-analyses naar het perspectief van de eigen straat, de eigen woning of het eigen boerenbedrijf is cruciaal.

DE POLITIEK NAAR DE MAAN

Wat in het debat gisteren wel aan bod kwam is dat de overheid een rol te spelen heeft in het uitwerken van passende juridische kaders die de bottom-up en transversale bewegingen faciliteren; of toch alvast niet meer verhinderen.

 Dat klopt. De overheid moet heel duidelijk de richting aangeven; punten op de horizon zetten. Daar vind ik econome Mariana Mazzucato een lichtend voorbeeld. Zij stelt dat de overheid de grote missies, de moonshots moet bepalen: “we halen onze wijken van het aardgas tegen jaar x”. En daarna moet ze ruimte geven aan nieuwe maatschappelijke coalities van private, civiele en maatschappelijke actoren om nieuwe systemen te ontwikkelen. In het hart van ons economisch en maatschappelijk systeem moet een waanzinnige omwenteling gebeuren, en dat wil zeggen dat we een period of grace moeten laten om die omwenteling vorm te geven, een periode waarbij je niet constant de maatstaf hanteert van de kostprijs van vandaag. Als we steeds vergelijken met hetgeen waar we vanaf moeten, is het evident dat de toekomst niet realistisch is. We putten de aarde uit, met als gevolg dat bepaalde dingen goedkoop zijn, en die goedkope, eindige zaken worden dan de maatstaf om te zien of de toekomst realistisch is. Dat is de wereld op z’n kop. Die broedplaatslogica is cruciaal en ontbreekt bij ons al te vaak. We willen dat de politiek in één keer de industrie oplegt te stoppen met dit of dat. Ook experts vragen vaak aan de politiek om een forse beslissing te koppelen aan directe actie. Het vergt natuurlijk ook een gepaste innovatiefinanciering. It takes a million to spend billions. Als we enkele miljoenen innovatiemiddelen kunnen mobiliseren om die ontwikkelingsruimte vorm te geven, kunnen we zorgen dat de miljarden die in de toekomst sowieso geïnvesteerd zullen worden in energie, bouw, bedrijven... op een duurzame manier zullen gespendeerd worden. Hoe kan je maken dat je een beetje geld hebt om uiteindelijk een hele economische keten te verleggen in de meer duurzame richting? 

 

Je spreekt van het belang van ruimte voor broedplaatsen om de transitie te maken in diverse sectoren. Waar staat de bouwsector in dit verhaal?

In de bouwsector zijn wij eigenlijk nog niet in dat spel van ambitieuze doelen en broedplaatsen opgenomen. Een werkelijke innovatieomgeving is er nog niet, terwijl we een enorm innovatiepotentieel hebben. Ontwikkelaars moeten totaal nieuwe dingen gaan ontwikkelen, architecten moeten totaal nieuwe dingen gaan ontwerpen en de materiaalcycli moeten helemaal kantelen. De samenleving verwacht nu van ontwikkelaars en architecten dat ze dat allemaal zelf doen, maar als je die verwachting projecteert op de individuele architecten of architectenbureaus die dat binnen individuele opdrachten moet realiseren, is dat eenvoudigweg ondenkbaar. Ik denk dat we moeten afdwingen dat geïnvesteerd wordt in de innovatie die in de bouw moet gebeuren, zoals men dat ook bij andere sectoren doet. Om gelijktijdig de kracht van het ontwerp op de juiste plek te kunnen positioneren en de architecten mee de capaciteiten te helpen ontwikkelen voor al die grote transities die boven ons hoofd hangen. Wij zijn een fragiele sector die zichzelf te ver laat fragiliseren, vind ik. Dus we moeten daar uitbreken zonder hybris, met een gezonde portie dadendrang. Ik denk dat NAV daar een belangrijke rol in kan spelen. Maar het zal enkel lukken als we uitbreken mét een bredere maatschappelijke coalitie die het bouwen transversaal benadert. Die transversale benadering is essentieel is om de doelen op alle fronten tegelijk - sociaal, ecologisch en economisch - te realiseren. Er zijn bijvoorbeeld banken aan het uitdenken hoe ze leningen moeten geven voor de verbouwing en energierenovatie van integrale wijken. Dat betekent dat het systeem van de risicoanalyse die aan de basis ligt van de rentevoet van onze leningen ook hervormd moet worden. Wij kunnen als architecten immers wel zeggen dat we hele wijken gaan renoveren, maar dat heeft geen enkele zin als het financieel systeem niet volgt.

 

Het estafettestokje van de architectuur Voor AWB heeft de architect een belangrijke rol te spelen in de maatschappelijke omwentelingen. Welke zijn die kwaliteiten, eigen aan architecten, die ze zo goedgeplaatst maken? Ik begrijp dat die verder gaan dan het pure ‘design’?

Voor het boek Designing the Future hebben we een bevraging georganiseerd om scherp te krijgen wat nu precies de rol is van de ontwerper in al die grote maatschappelijke thema’s. De kennis van ruimtelijke analyse staat uiteraard centraal, maar niet enkel omwille van ruimtelijke kwaliteit. Ook om hoe die analyse in relatie gebracht wordt met andere processen. Dat al begint bij de woning. Als je een huis moet ontwerpen voor een koppel, dan moet je bij wijze van spreken al gaan bemiddelen tussen die twee mensen. Intrinsiek zit in de architectuur het vermogen om goed te luisteren en om het softe – allerlei processen, noden en technische systemen – te bundelen in vorm. Architectuur heeft een fataliteit: je kan niet terug ontwerpen, je kan alleen maar vooruit ontwerpen. Als je dat doet op een iteratieve wijze, dan is architectuur een proces van scenario’s ontwikkelen, voorstellen doen, reacties sprokkelen en daarmee weer vooruit gaan. De verbeeldingskracht in het ontwerp is essentieel, want die is potentieel meeslepend of afstotend. Uit wat afstoot kan je leren en weer een volgende stap vooruit zetten. Zo heeft de architectuur een aantal methodieken die de samenleving absoluut nodig heeft. Natuurlijk hebben de maatschappelijke omwentelingen ook een enorme impact op de positie van de ontwerper. Ik zie drie manieren om ontwerp te positioneren. De eerste is: de ontwerper die opdrachten aanneemt of de architect-auteur; architectuurontwerp met grote A. De tweede positie is die van het ontwerpend onderzoek, het meer strategische werk. Je gebruikt ruimtelijke tools om iets te onderzoeken en bij te dragen aan de projectdefinitie. Alle stadsontwikkeling in Vlaanderen is gelopen via ontwerpend onderzoek, als voorbereiding van concrete opdrachten. De derde positie is die waar ik ontwerp positioneer als een speler in transformatie als ruimere maatschappelijke beweging. Vanuit die positie ga je stroomopwaarts om de initiële vraag te herformuleren en creëer je ruimte om de brede maatschappelijke beweging te gaan organiseren. Als AWB zijn we begonnen in de tweede en zijn we steeds meer aan het opschuiven naar die derde positie. Architecten zijn afgelopen decennia heel instrumenteel en strategisch belangrijk geweest voor de transformatie van onze leefomgeving. De metamorfose die steden zoals Gent en Mechelen sinds de jaren 1970 hebben ondergaan is enorm. Maar je kan je de vraag stellen of we niet opgesloten zijn geraakt in de rol van productontwikkelaar. Ik ben ervan overtuigd dat die golf over zijn hoogtepunt is en dat we we nu eigenlijk totaal nieuwe soorten projecten gaan moeten gaan realiseren, zoals de energiewijken of voedselparken waar we in de Grote Verbouwing aan werken. We moeten opdrachten eerder benaderen als een maatschappelijke opgave en ons afvragen of de opdrachtgever wel de juiste vragen stelt. Wat we wel moeten moeten vermijden is wat je nu internationaal ziet gebeuren in architectuurscholen en debatten: er ontstaat een soort polarisering, waarbij de ene zegt dat duurzaamheid het enige nuttige is waar we vandaag mee bezig kunnen zijn en de andere stelt dat architectuur veel te complex is en dat al die energieregels vooral belemmeringen zijn van de expressievrijheid van onze kunstdiscipline. Hoe structureer je het gesprek tussen die posities? Ik zie het meer als een cascade, als een estafettestokje van praktijken die we aan elkaar doorgeven. De vraagstukken waar we voor staan reveleren zich in de praktijk, in concrete opdrachten. Als een architectenbureau met woningprojecten geconfronteerd wordt in de rand van de stad, stelt zich de vraag wat daar een logische vorm van verdichting is. Als er geen strategische redeneringen liggen onder de initiële opdracht, zijn dat typische vragen die we samen kunnen oppakken. Omgekeerd kunnen wij als innovatieplatform ruimtes maken waarbinnen ontwerpers specifieke vraagstukken kunnen onderzoeken en testen en zo capaciteiten en inzichten ontwikkelen die later weer naar concrete opdrachten doorstromen.

DE VERBOUWSECTOR

Wat betekent dit alles voor de praktijk van de reguliere architect?

De discipline van de architectuur zal altijd reguliere opdrachten blijven hebben, maar die zullen radicaal gaan verschuiven van nieuwbouw naar verbouwing. We zullen moeten spreken van de Ver-bouwsector. Dat betekent nogal wat. Ik geef les aan de universiteit in Gent. Gaan we de studenten onderwijzen hoe in een bestaande wijk de collectieve renovatie van woningen mee te begeleiden? Dat is een heel ander balspel dat we met z’n allen plots moeten gaan leren. De consequenties daarvan zijn heel groot. De typische logica van specialisatie zit ook erg ingeschreven in de structuur van onze opleidingen. We zijn te ver aan het meegaan in die specialisatie en moeten terug naar een soort verbindende rol. Als je kijkt naar de universiteiten, zie je bijvoorbeeld dat binnen de bouwtechnische kant veel onderzoek gebeurt naar de energietransitie, maar dat dat parallel loopt aan de dimensie van de discipline die bezig is met de theorie en het ontwerp. Terwijl we beter moeten begrijpen hoe we ook via de inrichting van onze gebouwen en de vloerplannen mee richting kunnen geven aan de energietransitie. En dat betekent dus dat het niét enkel gaat om regelgeving of EPB. Zo ook met de wateropgave. Ik weet uit mijn opleiding wel wat een regenpijp is, maar de waterproblematiek als maatschappelijke uitdaging is daar niet aan bod gekomen. In de praktijk wordt die nu vertaald in ‘de watertoets’ en dus weer een controlesysteem op je gebouw. Ik vind het zo’n drama, dat we als architectuur de energietransitie zijn gaan zien als belemmerende regelgeving of opgedrongen meetsystemen. Laat het ons eens omdraaien of binnenstebuiten keren! Wat kunnen wij bijdragen, vanuit de architectuur, in functie van die energie- of wateropgave? Eerder dan er voor te zorgen dat mijn gebouw voldoet aan de regelgeving. Nu, wat geldt voor gewone mensen geldt ook voor architecten: we komen maar tot een gedragsverandering als er een goesting is en een doorleefde overtuiging dat we werken aan een kwaliteitsverbetering. Ik zie ook nog wel andere spanningen waar we grondig over zouden moeten kunnen doordenken. Die transversale aanpak betekent bijvoorbeeld ook dat je steeds meer kennisdomeinen in je consortia moet binnenbrengen en dat vervolgens het honorarium van de architect opnieuw daalt. Daar zit een paradox waar ik het antwoord niet op heb. Vandaag overstemt het aantal ingenieurs de architect al. Dus ik begrijp het als architecten zich overdonderd voelen. Maar dat gesprek kunnen we volgens mij wel voeren, want wat architecten volgens mij uitdraagt is mee te kunnen timmeren aan een samenleving waar antwoorden worden geproduceerd en niet waar het nieuwe probleem wordt gebouwd. Dat is uiteindelijk de essentie.

MEER INSPIRATIE?

Bezoek het architectencongres van NAV op 8 juni in Mechelen.